Ik heb het weer. Ieder jaar keert het terug, als de winter zijn einde nadert en de eerste bollen de kop opsteken. Ik krijg een niet te stuiten drang om ramen en deuren open te zetten terwijl het daar nog nét te koud voor is. Mijn huisgenoten zitten daar niet op te wachten. Behalve de katten dan. Zij hoeven zich niet meer door een te klein kattenluik te wurmen en dat bevalt ze duidelijk beter.
Als de lente in aantocht is, wordt mijn humeur nóg beter. Ik drink mijn koffie op het terras in de tuin en vang de eerste zonnestralen. Ik laat me vol lopen met frisse lucht en verwonder me over alle natuurverschijnselen die bij het voorjaar horen. Alleen... ik krijg een onhoudbare drang dit over te brengen op mijn kinderen. Arme kinderen. Want het is weer zo ver: de tijd van de fietstochten die net te lang duren, bezoekjes aan de kinderboerderij tegen heug en meug en wandelingen in het bos. Het is afgelopen met de luierzondagen in pyjama’s. Naar buiten met die handel!
Vorige week reed ik met de auto door een buitengebied. We passeerden weilanden met een aantal boerderijen. Mijn oudste zoon keek naar buiten en zei: “Hé mam, dat is bijzonder. Hier zijn meer bomen dan huizen! Meestal is dat andersom!”
Deze opmerking zette me aan het denken. Hij groeit op in een dorp maar wordt langzamerhand een stadskind. Opeens dreigt een gevoel van wanhoop me te bekruipen. Een van de belangrijkste dingen die ik mijn kinderen wil meegeven, is het gevoel van vrijheid. Vrijheid die ik zelf als kind ervoer als ik in slaap dommelde op het strand of als ik hutten bouwde in het bos. Of wanneer ik voor het eerst zonder jas buiten mocht en de plantsoenen in onze, voor huidige begrippen, autoloze woonwijk onveilig maakte. Met vriendinnen maakte ik heksensoep van modder en vingen we sprinkhanen. Het klinkt idyllisch als ik daar nu op terugkijk. Misschien was het dat ook.
Mijn kinderen wonen in een drukke woonwijk. Ze kunnen voetballen op een pleintje tussen garageboxen. Twee straten verderop is een speeltuintje waarvan te veel hondenbezitters denken dat het een toilet is voor hun viervoeter. Onze straat is een dertigkilometerzone waarin de meeste automobilisten zestig rijden. En in de tuin past net een opblaasbadje tijdens warme dagen. Dus dat nodigt ook niet uit tot het verkennen van flora en fauna.
Er zit niets anders op. De lanen in, de paden op. Speelkleren aan en ravotten in het bos. Misschien frustreer ik mijn kroost uiteindelijk met mijn wens ze één te laten voelen met de natuur. Wellicht plagen ze mij straks eindeloos met vogelgidsjes. Of schamen ze zich voor mijn wandelschoenen en regenpak. Maar mijn kinderen denken straks niet dat ijsbergsla in de winkel groeit. Of dat melk wordt gemaakt in de fabriek, net als cola. Wat dat betreft is mijn
mission completed! En dit is me wat waard.
Eef