“Mama, is dit vlees van dode dieren?”, vraagt onze oudste zoon terwijl hij met zijn vork in een slavink prikt. Het valt stil aan tafel. Lief en ik wisselen een blik en snijden tactisch een ander onderwerp aan. Ai, kinderen zijn vaak zo confronterend. Vegetarisch worden is één van mijn meest gemaakte voornemens. Maar ja, waar vind je een kookboek met gerechten waarvan je de ingrediënten níet hoeft te zoeken in de verste uithoeken van de Benelux? Bovendien ontbreekt het me vaak aan creativiteit te bedenken wat ik anders in de Bolognesesaus kan stoppen dan een pond rundergehakt. Dus schakel ik dan over op een afgeslankte vorm van dit voornemen: biologisch vlees. Dan hadden de dieren in ieder geval een beter leven....
Later die week eten we boerenkool met verse worst. Dochter vraagt zich af of de worst is gemaakt van echt vlees of van nepvlees. Alles wat op vlees kijkt, is voor kinderen immers nepvlees. We proberen het wel eens met Tivall-achtige aftreksel, maar daar trappen ze niet in. Eigen schuld. Lief en ik doen - onder het motto ‘Weet wat je eet’ - ons best van onze kinderen ten minste kritische eters te maken. En dat is, zo blijkt, uiterst onhandig. “De worst is gemaakt van echt vlees”, antwoord ik. Onze oudste mompelt iets van “waarschijnlijk vlees van zieke dieren...” Weer valt het stil aan tafel.
Ik spreek er over met een vriendin tijdens de koffie op dinsdagochtend. Welke gruwelijkheden van de mensheid vertel je aan kinderen van 7 en 5 en welke juist niet? Vriendin geeft me de wijze raad eerlijk te vertellen hoe het zit; mensen fokken dieren om ze op te eten. Diezelfde avond bepalen lief en ik de pedagogische marsroute. We gaan open kaart spelen over vlees. Maar wat nu als de oudste dan geen vlees meer wil eten? Heldhaftig besluiten we: dan wordt ons gezin vegetarisch!
De volgende dag eten we karbonade gevuld met appel. Ik heb extra mijn best gedaan. Dit zou wel eens de laatste keer kunnen zijn. “Is dit bot van een varken of van een koe?” Het vragenvuur is weer begonnen. Doeltreffend begin ik aan mijn verhaal. De oudste luistert ademloos en slaakt een diepe zucht als mijn betoog is afgelopen. “Wel zielig voor die dieren,” antwoordt hij. Om te vervolgen: “Van karbonaadjes houd ik niet. Die eet ik niet meer. Maar wanneer maak je weer gehaktballen?” Ach, wordt het toch nog een zalige kerst!
Eef