Een leven lang zeul ik al rond met Marleentje. Mijn oudste herinnering aan haar dateert van mijn eerste communie. Tja, ik ging naar een rooms-katholieke school. Hoe oud ben je dan? Een jaar of zeven, acht? Tante Annie kwam mij feliciteren samen met Marleen, die toen dus rond de zeventien, achttien geweest moet zijn. Toch was Marleen nog een kind.
Verstandelijk gehandicapt mocht je toen nog zeggen of een ‘zorgenkindje’. Marleen speelde mee met mijn poppen en we legden samen een puzzel die dag. Niet wetende dat ik dat de rest van mijn leven met haar zou blijven doen. Sindsdien ging er geen verjaardag meer zonder Marleentje voorbij. Zij was de meest vrolijke gast van allemaal. Omgekeerd, op haar verjaardag, stond ze bij het raam te wachten tot ik er was. Toen ik ouder was, ging ik met haar met de bus naar de stad, naar optredens, of zo maar een eindje wandelen, hoewel ze slecht ter been was.
Marleentje was op mijn trouwdag en ik was op al haar feestjes. Tussen de duizenden puzzelstukjes door kletsten we wat af, hoewel ze zeer slecht verstaanbaar was. Toen ze mijn eerstgeborene op schoot hield, zei ze: “ik krijg nooit kindjes, hè?”
Marleentje woont nu al jaren in een gezinsvervangend tehuis, dat nu woongemeenschap heet, waar ik haar nog altijd bezoek. Sinds haar moeder, zo zeggen we dat, in de hemel is, eigenlijk nog vaker dan voorheen. We maken ook nog uitstapjes, inmiddels met de rolstoel. Onderweg zegt ze tegen iedereen dat ik haar beste vriendin ben, maar buiten mij om verstaat niemand dat meer. Ondertussen is ze trouwens ook nog doof dus het begint steeds moeilijker te worden om met haar te communiceren. Maar ik hou vol. Van de zomer was het kermis. Pas toen ik er met Marleen was, ondervond ik de hinder van al die dikke elektriciteitskabels en stoepranden op het terrein en opstapjes bij de attracties. Het was als het beoefenen van topsport om er met de rolstoel overheen te komen, maar Marleen genoot zichtbaar. Als hoogtepunt van het geheel zouden we samen gaan uit eten. Het duurde lang voor ik een plaats aan een tafeltje bemachtigd had en Marleen uit de rolstoel in een stoel had gehesen. Het zweet liep in straaltjes over m‘n gezicht en ik dacht ‘het is echt de laatste keer, dat ik zoiets met haar doe.’
Maar het personeel was, zoals zo vaak, geweldig. Ze brachten een hoog glas mee, een extra servetje, spraken Marleen aan. “Goh, wat heb je een mooie Barbie gewonnen.” Ik voelde me welkom. Je kunt echter zeggen wat je wilt: “Marleen recht zitten, Marleen vork gebruiken, niet eten en praten tegelijk.” Het helpt niet, want Marleentje is doof.
Al even voelde ik het prikken in mijn rug, maakte een ongemakkelijk gevoel zich van mij meester. Moest ik mij kwaad maken om de opmerkingen die ik daar van mensen aan een tafeltje naast ons hoorde? Nee, ik besloot dat ik daarvoor te moe was en Marleentje gelukkig te doof. Toen ik haar thuisbracht bedankte ze me voor de fijne dag en vertelde ze trots en blij aan haar medebewoners dat ze uit eten was geweest. Dus kom, dat doen we volgende keer toch maar weer.
Lisa