“Wat is de stelling?” wordt er dan ineens gevraagd. Ik zit gewoon op een verjaardagsfeestje. Niet dat ik zin had om te gaan, maar ja het is mijn zus en we gaan nou eenmaal altijd naar elkaars verjaardagen als we kunnen. Als we echt niet kunnen, nemen we het elkaar niet kwalijk. Maar dan moeten we wel iets anders te doen hebben. Gewoon geen zin, liever voor de zesde keer naar dezelfde aflevering van Frost willen kijken, is geen reden.
Dus ik zit op een verjaardagsfeestje en probeer de conversatie mee gaande te houden. Ja, het gaat hard, goh wat worden ze toch groot, ach is die getrouwd? Na de kwaliteit van het gebak, het weer, de gezondheid van koningin Beatrix en de nieuwe haarkleur van de buurvrouw weet ik niets meer. Of toch?
Ik herinner me het begin van deze avond, toen ik zo moest haasten en nog snel een boodschap moest doen, dat ik toen weer die aarzeling had bij het uitstappen van de auto. “Dag mevrouw,” klonk het meteen heel opgewekt. Ik pakte een winkelwagentje en liep aan de man, met de krantjes in zijn hand, voorbij. En weer klonk het: “Dag mevrouw.”
“Hallo”, zei ik zo vriendelijk mogelijk, maar wellicht toch wat kortaf, bang dat ik een gesprek aan zou moeten gaan en ik had immers haast. Ik vloog langs de schappen, schraapte snel de ingrediënten voor het avondeten bij elkaar en rekende af. Wat kleingeld hield ik in de hand, om toch maar aan die man te geven. Met in het achterhoofd ‘dan ben ik er vanaf’. Bij het verlaten van de supermarkt klonk weer het “dag mevrouw” op precies dezelfde toon. Ik gaf hem het geld en hij zei vriendelijk: “Dag mevrouw.”
Terug in de auto baalde ik van mezelf. Waarom heb ik hier zo’n hekel aan? Waarom geef ik hem wat kleingeld, terwijl ik me aan hem erger? Ik weet niet eens waarvoor dat geld wordt gebruikt. Arm ziet hij er niet uit.
Al langer vraag ik me af of dit nou aan mij ligt. Of ik echt zo onaardig ben, of ik de enige ben die zich ongemakkelijk voelt bij het in- en uitgaan van de supermarkt.
Opeens lijkt het me een goed idee om dat dan maar hier bij dit verjaardagsgezelschap eens te onderzoeken. “Wat vind jij nou van die man die altijd bij de supermarkt staat?” vraag ik. “Oh, die geef ik niks”, roept de een. “Je kunt toch wel vriendelijk goedendag zeggen”, roept de ander. En voor ik het weet, zit ik midden in een felle discussie.
“Wat is de stelling?” roept iemand. “Zij stoort zich vreselijk aan die man bij de supermarkt”, roept weer een ander. “Nou ja storen is een groot woord”, zeg ik. “Trouwens vreselijk is ook weer overdreven.” Ik heb natuurlijk al lang spijt dat ik er over begonnen ben. Nu voel ik me nog onaardiger, nog mensonvriendelijker. En een stelling heb ik nog steeds niet. Behalve dan dat ik nog minder zin heb in verjaardagsfeestjes, maar dat durf ik in dit gezelschap dan weer net niet te zeggen.
Lisa